Eén persoon vraagt de anderen om woorden – iets te eten, een getal, een dierengeluid – zonder te zeggen waar het verhaal over gaat. Daarna wordt het verhaal voorgelezen, en het slaat nergens op. Op je telefoon of geprint.
Eén persoon kiest een verhaal en laat het aan niemand zien.
Die vraagt de anderen om één woord tegelijk, precies zoals de hint zegt, en typt het in (of schrijft het op de lijn van het blad).
Als alle woorden er zijn, wordt het hele verhaal voorgelezen.
De woorden blijven op deze telefoon: er wordt niets verstuurd of bewaard.
Kies een verhaal
of Ctrl+P / ⌘P
Eén verhaal per pagina, A4 of Letter, staand, 100%: de woorden om te vragen met een lijn erbij, en het verhaal met genummerde gaten.
Pakjesavond
een gek woord
iets in het meervoud (bv. sokken)
een getal
de naam van iemand in de kamer
een dier (bv. nijlpaard)
werkwoord, hele vorm (bv. dansen)
bijwoord (bv. hard)
werkwoord, hele vorm (bv. janken)
een uitroep (bv. Oei)
eten in het meervoud (bv. oliebollen)
een gekke zin
Op 5 december zit de hele familie in de woonkamer te wachten. Opeens wordt er op de deur gebonsd. Voor de deur staat een grote zak met een briefje: „______ (1)”. In de zak zitten ______ (2) en precies ______ (3) pakjes. ______ (4) mag als eerste een pakje openmaken. Het is een surprise: een kartonnen ______ (5) met een gedicht erbij. Het gedicht gaat over iemand die nooit wil ______ (6). Iedereen lacht zo ______ (7) dat de hond begint te ______ (8). Opa roept: „______ (9)!” Daarna eten we pepernoten en ______ (10) en drinken we warme chocolademelk. Op de schoorsteen ligt nog één briefje: „______ (11)”.
Kerstdiner met gourmetten
eten in het meervoud (bv. kroketten)
de naam van iemand in de kamer
werkwoord, hele vorm (bv. zingen)
een uitroep (bv. Help)
een dierengeluid
snoep in het meervoud (bv. drop)
iets in het meervoud (bv. knopen)
dieren in het meervoud (bv. slakken)
bijwoord (bv. verbaasd)
werkwoord, hele vorm (bv. schaatsen)
een getal
Op eerste kerstdag gourmetten we met de hele familie. Op tafel staan pannetjes, sausjes en een grote schaal met ______ (1). ______ (2) heeft het vuur iets te hoog gezet, en de pannetjes beginnen te ______ (3). Oma roept: „______ (4)!” en zet het raam open. De kat springt op tafel en zegt: „______ (5)”. Daarna komt het toetje: ijs met ______ (6). Iedereen krijgt een cadeautje onder de kerstboom. In het mijne zitten ______ (7), in dat van opa ______ (8). Opa kijkt er ______ (9) naar en zegt dat hij volgend jaar wil ______ (10). Na het eten zingt iedereen ______ (11) keer hetzelfde kerstlied, tot de buren meezingen.
Oliebollen bakken
de naam van iemand in de kamer
iets in het meervoud (bv. paperclips)
bijvoeglijk naamwoord (bv. plakkerig)
een uitroep (bv. Jeetje)
dieren in het meervoud (bv. egels)
iets wat ruikt (bv. kaneel)
een getal
een dierengeluid
iets in het meervoud (bv. lepels)
iets in het meervoud (bv. sokken)
de naam van iemand anders in de kamer
Op oudejaarsdag bakt papa altijd oliebollen. Dit jaar helpt ______ (1) mee. In het beslag gaan bloem, gist, krenten en per ongeluk ______ (2). Het beslag wordt daardoor heel ______ (3). Papa roept: „______ (4)!”, maar proeft toch. De oliebollen zien eruit als ______ (5) en ruiken naar ______ (6). Na ______ (7) minuten staat er een hele berg op tafel. De hond gaat ernaast zitten en zegt: „______ (8)”. Om middernacht kijkt iedereen buiten naar het vuurwerk, dat de vorm heeft van ______ (9). Buurvrouw Ans wenst iedereen een gelukkig nieuwjaar en veel ______ (10). En de laatste oliebol? Die krijgt ______ (11).
De Kerstman in de file
iets in het meervoud (bv. fietsen)
een groot getal
een uitroep (bv. Potjandorie)
werkwoord, hele vorm (bv. toeteren)
een stad of land (bv. Groenland)
dieren in het meervoud (bv. pinguïns)
een gek woord
bijwoord (bv. vrolijk)
de naam van iemand in de kamer
eten in het meervoud (bv. wortels)
een gekke zin
Op kerstavond vertrekt de Kerstman met zijn slee vol ______ (1). Maar boven de snelweg staat een file van ______ (2) sleeën! „______ (3)!” roept de Kerstman. De rendieren beginnen meteen te ______ (4). Een elf heeft een idee: ze nemen de route via ______ (5). Daar wonen alleen ______ (6), en die zingen „______ (7)” als ze iemand zien. De Kerstman zwaait ______ (8) en vliegt door naar het huis van ______ (9). Daar ligt een briefje bij de open haard: „Lieve Kerstman, hier zijn ______ (10) voor de rendieren.” Op de terugweg is de file weg en zegt het snelste rendier alleen nog: „______ (11)”.